ARKELSE VERHALEN
Toon de smid Op de plaats waar nu de wereldwinkel is gevestigd zaten vroeger twee bedrijven, smederij Gaikhorst en wagenmaker van Peet. In 1805 begon de uit Wageningen afkomstige Hendrik Jan Gaikhorst hier een smederij. Op hetzelfde terrein had Hendrik Jacobi een wagenmakerij. Beide bedrijven hadden een innige band met elkaar. Als een boer een nieuwe boerenwagen nodig had dan zorgde de smid voor het ijzerwerk en maakte de hoepels die om de houten wielen werden gelegd. De hoepels werden door de smid in het smidsvuur verhit waardoor ze uitzetten, daarna werden ze vliegensvlug om de houten wielen gelegd en direct afgekoeld door water uit de Zederik die vlak achter de werkplaats van de wagenmaker liep. Die krompen door de afkoeling muurvast om de houten wielen. Het was op het erf vaak een gezellige boel en veel Arkelse nieuwtjes werden daar uitgewisseld. De boeren die hun paarden bij de smid lieten beslaan gingen vaak een borreltje drinken in café Maurik en het gebeurde nogal eens dat er te diep in het glaasje werd gekeken en dan was het maar goed dat het paard de weg naar huis wist. Op zeker moment zijn de beide bedrijven wat inniger gaan samenwerken en was er sprake van Gaikhorst en Jacobi. De laatste smid was Toon Gaikhorst een zeer bijzondere man die wel hield van een grap en een grol. Antonie Gaikhorst werd geboren op 13 januari 1916 in Arkel. Na het doorlopen van de ambachtsschool kwam hij bij vader in de smederij werken en werd in Arkel alras bekend als Toon de smid. Vele Arkelaren zullen zich het driftig getik van de voorhamer op het aambeeld nog kunnen herinneren, evenals de alles doordringende schroeilucht die vrijkwam als het gloeiende hoefijzer op de paardenhoef werd gedrukt. Voor de oorlog was het beslaan van paarden een alledaagse bezigheid. Bijna alles in het boerenbedrijf werd immers nog met behulp van paarden gedaan. De hoefstal stond op het voorterrein van de smederij met de achterzijde naar het talud van de dijk waarin een enorme Lindeboom stond die een holle stam had. De paardenvijgen die de paarden lieten vallen als ze in de hoefstal stonden werden door Toon opgeveegd en in de holle stam gedeponeerd. Zo werd het de enige boom in Nederland die van binnenuit bemest werd. Maar de grote passie van Toon lag bij de langzaam in zwang komende auto’s en motoren. Toon was zelf ook een enthousiast motorrijder en wist het dorp vaak op stelten te zetten als hij met zijn knetterende, knallende en blauwe rook uitbrakende motor door het dorp racete. Veel harder dan 50 à 60 km zal er wel niet gereden zijn, maar voor die tijd waren dat enorme snelheden. Hoewel Toon altijd wel veel praats had, was het nu ook weer niet zo’n enorme vakman en toen hij de zaak van zijn vader overnam, nam hij dan ook maar snel een knecht in dienst die een enorme vakkennis had. Dankzij deze knecht kreeg Toon een modern geoutilleerde werkplaats waar zelfs een elektrisch lasapparaat was te vinden. Toon was bijzonder trots op zijn lasapparaat. Kwam er een boer met een kapot landbouwwerktuig in de smederij dan stond Toon even “wijs” te kijken naar het euvel, krabde zich eens achter zijn oor en sprak dan de legendarische woorden. “Dat is zo gemaakt, ik las het wel even vast”. Hij voegde dan de daad bij het woord en laste en braaide dat het een lieve lust was. Natuurlijk was dat vaak de oplossing niet, maar daar maalde Toon niet om. Voorlopig zat het weer even vast en daar ging het om. Toon was naast hoefsmid ook kachelsmid en heel wat kachels en haarden werden, als het stookseizoen weer begon, op de smederij afgeleverd om te worden nagezien. Dat controleren van de kachels was voor Toon een fluitje van een cent. Het kacheldeurtje werd geopend, eventueel nog in de kachel liggend aanmaakhout werd er uitgehaald, even schoonblazen met perslucht en klaar was Toon. Soms lagen de in de kachel aangebrachte vuurvaste stenen los. Toon propte daar dan wat cement tussen en achter en dat was dan ook weer gepiept. De aanmaakhoutjes werden teruggelegd en de kachel kon weer worden opgehaald of werd door Toon zelf thuisgebracht en geplaatst. Volgens Toon zou de kachel weer branden als een tierelier. Natuurlijk gebeurde het wel eens dat een klant niet thuis was als Toon de kachel kwam afleveren. Toon had dan een sleutel gekregen of wist waar deze hing zodat hij de kachel toch kon plaatsen. Het rookkanaal van de schoorsteen was meestal dichtgestopt met oude kranten. Het gebeurde nogal eens dat bij het verwijderen van de kranten er een stoot roet de kamer in dwarrelde. Geen nood, Toon had altijd een vegertje bij zich, hij beurde dan het vloerkleed op, veegde het roet eronder en het probleem was weer opgelost. Behalve de smederij verkocht hij ook benzine. De eerste benzinepomp was een hoge gietijzeren zuil met daarin een handbediende vlinderpomp, waarmee twee glazen beurtelings werden volgepompt. Als de één leegliep werd de ander weer gevuld. Later werd de pomp geelektrificeerd en kwam er een pomp voor dieselolie bij. Er zijn nog veel anekdotes te vertellen over Toon, maar dat zou een te lang verhaal worden. In de zestiger jaren sloot Toon de smederij en verhuisde naar Meerkerk. De hoefstal werd meegenomen en in de tuin geplaatst. Om in zijn levensonderhoud te voorzien begon Toon een benzinestation langs de A27.
Toon de smid Op de plaats waar nu de wereldwinkel is gevestigd zaten vroeger twee bedrijven, smederij Gaikhorst en wagenmaker van Peet. In 1805 begon de uit Wageningen afkomstige Hendrik Jan Gaikhorst hier een smederij. Op hetzelfde terrein had Hendrik Jacobi een wagenmakerij. Beide bedrijven hadden een innige band met elkaar. Als een boer een nieuwe boerenwagen nodig had dan zorgde de smid voor het ijzerwerk en maakte de hoepels die om de houten wielen werden gelegd. De hoepels werden door de smid in het smidsvuur verhit waardoor ze uitzetten, daarna werden ze vliegensvlug om de houten wielen gelegd en direct afgekoeld door water uit de Zederik die vlak achter de werkplaats van de wagenmaker liep. Die krompen door de afkoeling muurvast om de houten wielen. Het was op het erf vaak een gezellige boel en veel Arkelse nieuwtjes werden daar uitgewisseld. De boeren die hun paarden bij de smid lieten beslaan gingen vaak een borreltje drinken in café Maurik en het gebeurde nogal eens dat er te diep in het glaasje werd gekeken en dan was het maar goed dat het paard de weg naar huis wist. Op zeker moment zijn de beide bedrijven wat inniger gaan samenwerken en was er sprake van Gaikhorst en Jacobi. De laatste smid was Toon Gaikhorst een zeer bijzondere man die wel hield van een grap en een grol. Antonie Gaikhorst werd geboren op 13 januari 1916 in Arkel. Na het doorlopen van de ambachtsschool kwam hij bij vader in de smederij werken en werd in Arkel alras bekend als Toon de smid. Vele Arkelaren zullen zich het driftig getik van de voorhamer op het aambeeld nog kunnen herinneren, evenals de alles doordringende schroeilucht die vrijkwam als het gloeiende hoefijzer op de paardenhoef werd gedrukt. Voor de oorlog was het beslaan van paarden een alledaagse bezigheid. Bijna alles in het boerenbedrijf werd immers nog met behulp van paarden gedaan. De hoefstal stond op het voorterrein van de smederij met de achterzijde naar het talud van de dijk waarin een enorme Lindeboom stond die een holle stam had. De paardenvijgen die de paarden lieten vallen als ze in de hoefstal stonden werden door Toon opgeveegd en in de holle stam gedeponeerd. Zo werd het de enige boom in Nederland die van binnenuit bemest werd. Maar de grote passie van Toon lag bij de langzaam in zwang komende auto’s en motoren. Toon was zelf ook een enthousiast motorrijder en wist het dorp vaak op stelten te zetten als hij met zijn knetterende, knallende en blauwe rook uitbrakende motor door het dorp racete. Veel harder dan 50 à 60 km zal er wel niet gereden zijn, maar voor die tijd waren dat enorme snelheden. Hoewel Toon altijd wel veel praats had, was het nu ook weer niet zo’n enorme vakman en toen hij de zaak van zijn vader overnam, nam hij dan ook maar snel een knecht in dienst die een enorme vakkennis had. Dankzij deze knecht kreeg Toon een modern geoutilleerde werkplaats waar zelfs een elektrisch lasapparaat was te vinden. Toon was bijzonder trots op zijn lasapparaat. Kwam er een boer met een kapot landbouwwerktuig in de smederij dan stond Toon even “wijs” te kijken naar het euvel, krabde zich eens achter zijn oor en sprak dan de legendarische woorden. “Dat is zo gemaakt, ik las het wel even vast”. Hij voegde dan de daad bij het woord en laste en braaide dat het een lieve lust was. Natuurlijk was dat vaak de oplossing niet, maar daar maalde Toon niet om. Voorlopig zat het weer even vast en daar ging het om. Toon was naast hoefsmid ook kachelsmid en heel wat kachels en haarden werden, als het stookseizoen weer begon, op de smederij afgeleverd om te worden nagezien. Dat controleren van de kachels was voor Toon een fluitje van een cent. Het kacheldeurtje werd geopend, eventueel nog in de kachel liggend aanmaakhout werd er uitgehaald, even schoonblazen met perslucht en klaar was Toon. Soms lagen de in de kachel aangebrachte vuurvaste stenen los. Toon propte daar dan wat cement tussen en achter en dat was dan ook weer gepiept. De aanmaakhoutjes werden teruggelegd en de kachel kon weer worden opgehaald of werd door Toon zelf thuisgebracht en geplaatst. Volgens Toon zou de kachel weer branden als een tierelier. Natuurlijk gebeurde het wel eens dat een klant niet thuis was als Toon de kachel kwam afleveren. Toon had dan een sleutel gekregen of wist waar deze hing zodat hij de kachel toch kon plaatsen. Het rookkanaal van de schoorsteen was meestal dichtgestopt met oude kranten. Het gebeurde nogal eens dat bij het verwijderen van de kranten er een stoot roet de kamer in dwarrelde. Geen nood, Toon had altijd een vegertje bij zich, hij beurde dan het vloerkleed op, veegde het roet eronder en het probleem was weer opgelost. Behalve de smederij verkocht hij ook benzine. De eerste benzinepomp was een hoge gietijzeren zuil met daarin een handbediende vlinderpomp, waarmee twee glazen beurtelings werden volgepompt. Als de één leegliep werd de ander weer gevuld. Later werd de pomp geelektrificeerd en kwam er een pomp voor dieselolie bij. Er zijn nog veel anekdotes te vertellen over Toon, maar dat zou een te lang verhaal worden. In de zestiger jaren sloot Toon de smederij en verhuisde naar Meerkerk. De hoefstal werd meegenomen en in de tuin geplaatst. Om in zijn levensonderhoud te voorzien begon Toon een benzinestation langs de A27.
Toon Gaikhorst en Dikkie de Ruiter
Jan van IJzeren en Toon Gaikhorst
Toon Gaikhorst en Toon Jacobi